Bereshiet

De meesten van ons hebben de letterlijke opvatting van het scheppingsverhaal achter ons gelaten.

Voor wat betreft het verslag van de creatie van onze kosmos en onze aarde, daarin geeft de wetenschap een verbazend en aan alle kanten door onderzoek geschraagd verslag, dat nog steeds wordt uitgebouwd.
We kunnen het verhaal van het eerste hoofdstuk van Bereshiet/Genesis nu lezen als een bondig onder woorden gebrachte, krachtige allegorie. En juist dan valt op, dat er in het scheppingsverhaal van Bereshiet 1 een frappante parallellie met de ontdekkingen en hypothesen van de wetenschap te vinden is.

De meeste fysici accepteren eveneens een begin, een schepping uit het niets: de theorie van de Big Bang, voor het eerst in 1946 door George Gamow voorgesteld. Een creatio ex nihilo, die begon met een onvoorstelbare hoeveelheid samengebalde lichtenergie (‘er zij licht’), waarvan nog steeds een minuscule achtergrondstraling te bespeuren is, zoals Penzias en Wilson ontdekten.
Tevens is er in het scheppingsverslag een bepaalde ontwikkeling te bespeuren, die doet denken aan de evolutionaire ideeën van Darwin: eerst de planten en dan van de waterdieren naar de landdieren en dan de mens.

Nu gaat het er niet om met alle macht wetenschappelijke bewijzen aan te dragen om de juistheid van de bijbel/Tora aan te tonen. En ook niet om aannemelijk te maken dat er een soort intelligent design aan het werk is.
Wetenschap en de verhalen van de religie zijn verschillende talen, die niet door elkaar gehaald mogen worden (hoogstens kunnen zij elkaar inspireren).
Maar de parallelliteit tussen wetenschappelijke ontdekkingen en die eerste passages van de Tora zouden een aanwijzing kunnen zijn dat deze passages toch bezield zijn van een diepergaande boodschap dan alleen het droge rapport van scheppingsdaden. Daarvan geven eeuwen van midrashiem en kabbala getuigenis.

Mij viel bij herlezing een speciaal aspect op; een groot deel van de scheppende activiteit van hoofdstuk 1 houdt niet zozeer in het uit het niets tevoorschijn roepen; het bestaat veeleer uit het scheiden, het uit elkaar halen, het een plaats geven, een groot deel van Bereshiet hoofdstuk 1 bestaat uit ordenen en differentiëren.

In het begin is er chaos, ‘tohoe wa-bohoe’. Het primordiale licht maakt het mogelijk scheidingen en positioneringen aan te brengen, licht en donker, water en hemel, de zee en het droge. Ook het aardse licht wordt geconcentreerd in een zon en een maan en de sterren.

Men zou kunnen zeggen dat als het dan zover is – aarde, water, hemel, zee en land zijn dáár – het Scheppend Principe zijn scheppende kracht delegeert, investeert in wat hij geschapen heeft: want vanaf de planten is de uitspraak, die deze scheppingen in gang zet: laat de aarde ….(1, 11), laat het water ….(1, 20), laat de aarde ….(1, 24) om tenslotte uit te monden in 1, 26: laat ons mensen maken naar ons beeld, onze gelijkenis.

In het hier volgend commentaar van de 19e-eeuwse Isbitzer rebbe op de betreffende scheppingspassages komt dit ook tot uiting: “ Toen de schepping dus zijn gemis besefte, bewerkte hij een bewustwording van beneden af voor de schepping van de mens. “God sprak, laten wij mensen maken”, met andere woorden (“laten wij”, want God spreekt alle geschapen wezens aan), God, Hij zij gezegend, sprak tegen de hele schepping, opdat ieder onderdeel van zijn kracht iets zou geven en mee zou doen in de schepping van de mens, zodat de mens deel zou hebben in al die onderdelen.”
(‘Living Waters’, a commentary on the Torah, R, Mordechai Yosef of Isbitza)

Een originele duiding van het “laten wij” of “laat ons”, mij meer aansprekend dan de midrashim die zeggen: wij = God die tot zijn engelen spreekt.
Benadrukt wordt in deze passage, dat scheppen niet is iets uit niets maken, maar dat de kosmos bezield is van en gedreven wordt door een haar ingeplante scheppende oerkracht – die steeds weer uit chaos – tohoe wa-bohoe – orde schept, ordent, scheidt, formeert, differentieert en uit oude vormen nieuwere en mooiere, nog complexere vormen maakt, een proces, dat immer doorgaat en voortschrijdt. (gedachtig aan de tweede wet van de thermodynamica komt het beeld op van de ontworsteling van orde aan de entropie). De tien uitspraken waarmee de schepping is in het leven is geroepen klinken steeds door en geven onze dynamische wereld nog weer opnieuw gestalte en steeds weer nieuwe gestalten.

Als in een versnelde film krijg je even het visioen van een caleidoscopische uitbarsting in een beurtelings feestelijke dan wel helse vormenrijkdom.
Wel is er af en toe een pauze. Na “zes dagen” – zes scheppingsfasen of –episoden – rust de oerkracht, verademt De Schepper en zijn schepping; dat is het ’shabbateske’ ritme van Worden en Zijn (dat in laatste instantie één geheel is).

Vanaf hoofdstuk 2, vers 4 verandert de focus van het scheppingsverslag opeens. Als in de nieuwe Google-mogelijkheid om vanuit buitenaards perspectief in te zoomen naar je eigen achtertuin zoomt het Bereshiet-verhaal vanuit kosmische view opeens pijlsnel naar de mens, naar zijn binnenkant, vanwaaruit hij zich alleen bevindt in de schepping, de mens die van vlees is, uit verlangen gebouwd, die nieuwsgierig is en wil kennen, al valt hij daardoor uit zijn hemelse en zorgeloze paradijs – want hij is geschapen met een zeer lastige oriëntatie: naar het beeld van zijn Schepper.

By rcassuto on 25 september 2010 | Door Rob Cassuto, parasja van de week

BEHA’ALOT’CHA: tussen haakjes

In de parasja Behalot’cha nadert de vorming van de uit Egypte uitgetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en geïnspireerde gemeenschap.
De openbaring van de Ene op de Sinai heeft plaatsgevonden, de belangrijkste geboden zijn gegeven, het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de Tabernakel is gemaakt en de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasja. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken.

Bij lezing van een aantal commentaren ontdekte ik dat hier in de Tora een cruciaal wendingspunt is genaderd, Wat is er aan de hand?
Het gaat om de verzen 10, 35 en 36.

vers 35 ”Wanneer de ark op het punt stond op te trekken zei Mosjé: ‘Op, Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.’ (ook gezongen tijdens de Toradienst) vers 36 En als hij op een rustpunt kwam zei hij: ‘Keer terug, Eeuwige, temidden van de tienduizenden van Jisraël. ‘”

In de Tora-rol (de ’seifer Tora’), maar ook in de hebreeuwse boektekst van de Tora (de z.g. Choemasj) staan deze woorden apart gesteld, als het ware omhaakt door de hebreeuwse letters ‘noen’ met omgekeerde vlaggetjes. Dat is nooit zomaar. Waarom is dat?

Verklaringen in de Talmoed bereiden ons een verrassing: de twee verzen staan eigenlijk nog niet op de juiste plaats, sterker nog ze vormen samen een apart boek! Goed beschouwd bestaat de Tora dan uit 7 boeken, waarbij Bemidbar gezien kan worden als uitgesplitst in 3 boeken, deel 1, deze verzen en dan wat daat verder nog op volgt als deel 3.
Bekomen van de schok vragen we ons af: een apart boek, goed, dat nemen we maar even aan in het besef dat het niet gaat om een definitieve herindeling, maar om de betekenis die het wil uitdragen, waarom een apart boek?
Rav Yosef Soloveitchik reconstrueerde een verrassende verklaring, waar ik in de weergave van
R. Ari Kahn uit put.

Als het volk voor de eerste keer na de Sinai gaat optrekken zegt Mosjé (tegen de zoon van zijn schoonvader): “We staan op het punt te vertrekken naar de plaats waarvan de Ene heeft gezegd: die wil Ik jullie geven…” (10, 29). Mosjé verkeert in de veronderstelling dat de kinderen van Jisraël op het punt staan het beloofde land binnen te trekken en in bezit te nemen.
Maar dat zal niet gebeuren.
Eigenlijk is het eerste vers, (10, 35), de oproep die Mosjé zou hebben uitgesproken bij het voorgenomen binnentrekken van het land en het tweede vers, (10, 36), de oproep aan het slot van de vreedzame inbezitneming, die daarop zou zijn gevolgd.
Maar deze zegevierende opmars, die op het punt stond te gebeuren gaat niet door.
Want wat gebeurt er niet lang na het moment van dit vers? De geschiedenis met de verspieders (verhaald in de volgende parasja Sjelach). Vele jaren van omzwervingen en afdwalingen volgen.
Als merkteken van deze noodlottige wending heeft de goddelijke inspiratie de schrijver deze verzen binnen de haken doen plaatsen, als reminder voor wat had kúnnen gebeuren.

Maar waarom dit dan een apart boek genoemd? De Talmoed zegt: Dit stuk plaatste G-d tussen symbolen boven en beneden … want het telt als een belangrijk boek op zichzelf (Talmud, Shabbat 115b). Het is een onvoltooid boek. Het Boek van de Bestemming van het Joodse Volk. Het boek dat nog steeds wacht om tussen begin- en eindzin geschreven en voltooid te worden. De omgekeerde noens herinneren er ons aan dat temidden van verwarrende omzwervingen en ondanks alle afdwalingen die bestemming nog op vervulling wacht.

Ik voeg er nog dit aan toe: voor mij wekt deze passage met zijn uitleg een groot besef van de complexiteit van het historisch proces, waarin ik zo vaak, ieder zo vaak, wij als volk Israëls al zo lang en soms schijnbaar hopeloos in verwikkeld zijn, maar toch: een proces waarin we steeds de oren willen spitsen om iets op te vangen van de grote ademtocht van een bestemming en een opdracht.
Een Messiaanse roep, waarzonder we toch eigenlijk niet willen en kunnen.

Rob Cassuto juni 16 2005

Beha’alot’cha, een andere uitleg

De haken van de omgekeerde noens hebben ook nog aanleiding gegeven tot een diepzinnige andere uitleg, die ik aantrof bij R. Simon Jacobson en die ik voorzover mogelijk kort zal proberen weer te geven. In feite is die uitleg een verdere verdieping van het voorgaande.

Een fascinerende verklaring gaf de Rebbe Rashab ongeveer honderd jaar geleden.
De twee haken vormen wanneer men ze samenvoegt het beeld van een vierkant. Dat vierkant symboliseert het ‘vierkante kleed’ van het mysterie van het bestaan.
In de woorden van het kabbalistische werk ‘Emek Hamelech’ :

‘Dit kleed bergt het geheim van het vierkant en de sluit-mem [ ], omdat het kleed vierkant is en zich dan deelt in twee en twee noens wordt, en dit zijn de twee noens, die geschreven zijn in het stuk ”Wanneer de ark op het punt stond op te trekken”, welke noens gevormd zijn als een open omgekeerde noen … Dit betekent een groot geheim: ieder die dit stuk dagelijks met de gepaste kavana leest, zal niet gekwetst worden, zelfs als hij een reis onderneemt naar een plaats van dieven, op zee reist of naar een andere gevaarlijke plaats gaat. Zolang hij de twee bovenvermelde noens, die verwijzen naar de twee helften van het kleed, voor ogen houdt. Dat is het geheim van Mosjé’s gebed ‘Op, Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.’ en ook de Rashbi zei dat “het uitnemen van de Sefer Tora in het openbaar de poorten van de compassie opent, reden waarom we deze bede uitspreken als de Heilige Arke wordt geopend.”‘

Het bedoelde kleed kan je je voorstellen als een prachtig tapijt, dat zowel verbergt als onthult. Een kleed dat iets zeer diepgaands en intiems zowel verbergt als openbaart. Dit kleed is gemaakt van twee helften, de ene helft heel doorschijnend, de andere ondoorzichtig. De kabbalisten gebruiken dit beeld om de overgang begrijpelijk te maken tussen onze dagelijkse realiteit en de diepere of hogere realiteit die achter het kleed of gordijn of sluier ligt.

Het kleed beschermt ons als het ware. Zouden we aan de stralende licht en de onbegrensde energie worden blootgesteld van deze hogere werkelijkheid dan zouden we niet kunnen bestaan, zouden we weggevaagd worden. In feite is ons bewustzijn een staat van verberging. Ons besef van ‘ik ben’ is alleen mogelijk dank zij de verhulling van energie. De paradox is dat werkelijke gewaarheid niet betrekking heeft op datgene is wat we kunnen vatten, maar op
datgene wat we niet kunnen vatten; wakker zijn betekent beseffen dat we in slaap zijn. Werkelijk gewaar zijn is dat we gewaar zijn van iets voorbij aan onze gewaarheid!

Het kleed sluit ons niet in een gevangenis. Als je goed kijkt zie je delicate patronen en subtiele figuren in het kleed. Die doen ons iets vermoeden van de ontzagwekkende processen achter dat schitterende doek. Het lokt ons om steeds naderbij te komen en het houdt ons ook op een afstand. Het werk van ons leven is om als het ware het licht van achter dat reuzegordijn in ons leven te krijgen, om de twee kanten met elkaar in verbinding te brengen.
In termen van dat levenslange proces rond het kleed, dat openbaart en verbergt, is de ruimte tussen de twee omgekeerde noens, zoals de Talmoed oppert, op te vatten als een apart boek, in deze uitleg het boek waarin het verhaal van ons eigen leven bezig is zich te schrijven.

Ook de Tora kan opgevat worden als een kleed, dat zowel een uiterlijke, geopenbaarde, exoterische dimensie heeft met zijn do’s en don’ts, als ook een innerlijke verborgen dimensie, het licht. Het onmetelijke divine licht kan neerdalen omdat het zich hult, zich verpakt zou je bijna zeggen, in een kleed, de uiterlijke Tora en ruimer gezegd, de materiele schepping. Zoals de midrasj zegt, de Eeuwige hulde zich in een witte talliet, en men verwijst dan naar psalm 4 vers 2,  in een mantel van licht bent U gehuld

De exoterische kant is de manifeste wereld met al zijn valkuilen, ontberingen, verleidingen, lusten en lasten. Die wereld is eindig. De buitenkant van de Tora voorziet ons van richtlijnen en mitswot om de woestijn door te trekken. De esoterische dimensie, de binnenkant reflecteert het oneindige licht, dat zonder omvatting van een kleed ons zou verpletteren. De witte talliet schijnt in zijn witheid stralend op en vertaalt als het ware voor beperkte schepselen die wij mensen zijn iets van het oneindige licht door. De uitdaging is niet te vluchten uit de manifeste wereld en zijn moeilijkheden van alledag, maar de woestijn binnen te gaan, te temmen en vruchtbaar te maken, contact zoekend en houdend met de bron van licht.

De twee omgekeerde noens vertellen eigenlijk dit verhaal: de reis van het licht naar en door onze wereld en de oproep om die wereld aan te gaan met een gezonde slagvaardigheid in de overtuiging dan gedragen te worden door een kracht die groter is dan en voorbij aan de eigen vermogens. De ene noen representeert de kant van het oneindige licht, de andere kant representeert deze manifeste materiele wereld. Samen omsluiten zij het boek van onze eigen reis waarin wij aan alle kanten geinvolveerd zijn in die manifeste wereld, maar niet in de macht zijn van die wereld

noot RC
Deze uitleg van Simon Jacobson doet denken aan de begrippen van Emmanuel Levinas: interioriteit (dat is dan juist de buitenkant van Tora en schepping) en exterioriteit (dat is dan juist de binnenkant van Tora en schepping, het aspect van de Oneindigheid).
Welhaast onvermijdelijk doemt ook de beroemde allegorie van Plato op van de mens, die in de grot alleen de silhouetten ziet van de divine ideaalvormen.

RC 13 juni 2009 pijltje

By rcassuto on 28 mei 2010 | Door Rob Cassuto, parasja van de week

PESACH: FEEST VAN DE BEVRIJDING

Pesach: feest van de geschiedenis

In het voorjaar vieren wij weer Pesach. We herdenken de bevrijding van het volk Israël uit de Egyptische slavernij, lang, lang geleden….
De afstammelingen van Jacob, de “Benee Jisraël”, ooit in Egypte, vluchtend voor de hongersnood, aangeland, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder onderdrukt; onder de profetische leiding van Mozes en in een reeks wonderlijke gebeurtenissen worden zij door Far’o vrijgelaten en beginnen zij een reis door de woestijn op weg naar Sinaj waar de volkswording zijn beslag krijgt in het verbond met de Eeuwige die hen naar hun vrijheid geleid heeft.
Archeologisch is er maar weinig voorhanden dat wijst naar de historiciteit van deze wonderlijke geschiedenis. Onze enige bron is het verslag van de Tora.
Volgens de bijbelcommentator Umberto Cassuto wordt de basis van het boek Exodus gevormd door een oorspronkelijk veel ouder episch gedicht, dat de slavernij en de bevrijding beschrijft. Inderdaad ademen vele woorden van dit boek een onontkoombare authenticiteit en tijdloze poëzie.
De Joodse theoloog en filosoof Martin Buber vat het op als een bijzondere sage, waarbij de kern wordt gevormd door het ‘enthousiasme van overweldigende aan het volk overkomen gebeurtenissen’ en dit enthousiasme, dat aanleiding gaf tot de herinneringen die de sage vormden, is wel degelijk een deel van de geschiedenis; in die zin zijn de gebeurtenissen rond de uittocht tot en met Sinai niet de historisering van de mythe maar juist veelmeer een mythisering van de historie.

Hoogtepunt in het verhaal van de uittocht is het maal rond het pesachlam, het maal samen genoten, vlak voor het ijlings vertrek uit Egypte in de nacht dat alle eerstgeborenen, behalve die van Israël, werden getroffen.
Volgens Buber e.a. zou Mozes het oude Semitische herdersmaal hebben omgevormd. Dit maal werd in de lente gehouden, waarbij eerstgeboren bokjes werden geslacht en de demonen werden geweerd door het bloed van de bokjes aan de tentpalen te smeren. Het woord Pesach komt van het werkwoord “pasach”, dat pas later “overslaan om te ontzien” is gaan betekenen; nog oorspronkelijker betekende het huppelen van het ene been op het andere en kan het geduid hebben op een rituele reidans (”chag” = “feest” betekent ook oorspr. reidans), die wellicht ook werkelijk is uitgevoerd en die de uittocht al voorafspiegelde. Met deze omvorming door Mozes van het lentefeest is, aldus Buber, Pesach van een ritueel bezwerend feest het ‘Geschiedfeest’ bij uitstek geworden.

Pesach: feest van de gemeenschap

Pesach is vooral ook het feest waarin wij met familie, vrienden en leden van onze plaatselijke gemeenschap samenkomen, samen spreken en samen genieten.
Na de verwoesting van de Tempel is het feest verplaatst naar de woning en centraal kwam de feestelijke maaltijd te staan, waarin van generatie op generatie het bevrijdingsverhaal verteld wordt: de Seider en het boek waarin het maaltijdritueel met al zijn oeroude teksten beschreven staat, de Haggada, is na de Tora en de Sidoer het meest populaire Joodse boek.
Het is de bedoeling, dat niemand op die eerste of tweede Seidermaaltijd alleen eet: ‘iedereen die honger heeft, kan binnenkomen en meeëten; iedereen die zelf niets heeft kan met ons mee Pesach vieren’, zo begint de Haggada. Pesach is het feest waarin we weer goed beseffen dat wij van slaven een gemeenschap zijn geworden, een gemeenschap van intrinsiek vrije mensen en zó genieten wij van ons samenzijn. Wat aandoenlijk symboliseert de Haggada dat nog steeds met een symbool uit de Romeinse tijd: wij drinken de voorgeschreven vier bekers wijn nog altijd leunend op de linkerarm, zoals de rijke Romeinse burgers dat deden, aanliggend aan hun lage tafels tijdens hun symposia, waaraan de Seider nog steeds naspeurbaar aan is gemodelleerd.
Eigenlijk is het passend bij iedere Seider te denken aan alle omgekomenen, wier schreeuw om bevrijding niet is beantwoord.

Pesach: feest van de doorgaande bevrijding .

‘In iedere generatie ben je verplicht jezelf te zien alsof jijzelf uit Egypte bent vertrokken’, staat er in de Haggada.. Je herbeleeft niet alleen de tijd van toen, maar beleeft ook het nu. We overstijgen de historische details van ooit naar nu. Het proces van bevrijding uit slavernij naar werkelijke vrijheid is nooit afgelopen.
In hoeverre is er nu nog sprake van onderdrukking?
Op vele niveaus is het niet moeilijk, ook niet in de relatief vrije maatschappij waarin wij in Nederland leven, sporen van onderdrukking te traceren. Op veel plaatsen in de wereld liggen symptomen van onderdrukking openlijker aan de oppervlakte. Laat dit eens onderwerp zijn in een fase van de Seider: waar speelt onderdrukking? Waar in de wereld, de maatschappij, in de buurt, in je persoonlijk leven? Waar is nog sprake van onvrijheid, discriminatie, vervolging, antisemitisme? Waar is er bij jezelf nog dwang om dingen te doen,
die je niet wil, om te zwijgen waar je wil spreken? Waar wordt je weerhouden te doen wat jou werkelijk goeddunkt, waar wordt je geblokkeerd om het beste in jezelf te manifesteren?

Pesach: feest van de innerlijke bevrijding

Hieronder wil ik proberen heel kort een visie te geven op dit verhaal, geïnspireerd op de esoterische opvatting, dat de geschiedenis van Israël in Egypte en de verlossing uit de slavernij een diepere betekenis heeft voor de gang van de mens door het leven in deze wereld, anders gezegd dat het verhaal een allegorie is van de weg van de ziel door het fysieke bestaan.
‘Israël’ staat dan voor onze essentie, voor onze werkelijke bestemming, voor onze ziel.
In een onontkoombaar verlangen om te beleven, ervaren, te leren daalt de ziel af in de fysieke wereld, incarneert in de materie, dit is de aankomst van Jacob – Israël – en zijn door hongersnood gedreven directe afstammelingen in het voedselrijke Egypte; met deze aankomst begint het boek Exodus .

Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien dringt de materiele wereld zich met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen steeds onvermijdelijker op. Steeds meer wordt het volk Israël – onze essentie – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Opvoeding, vorming en andere ingrijpende lotgevallen, die ons overkomen doen ons steeds meer accommoderen aan het systeem, tot in die mate dat we ons bijna geheel geïdentificeerd hebben met dat omringende en onderdrukkende systeem; het systeem hebben we zelfs binnen onszelf hebben gehaald, het heeft ons bezet.
Dit onderdrukkende systeem, dat we nodig denken te hebben voor onze overleving in de fysieke wereld, wordt in de verschillende psychologische en esoterische richtingen wel genoemd:
het ego, of: de persoonlijkheid (soms ook: karakter). In het pesachverhaal wordt het belichaamd door Farao en zijn slavendrijvers, de Egyptische opzichters.
Vaak zijn we onze meest eigen essentie geheel vergeten;
hij ligt verborgen achter vele schillen (‘klipot’in de Joodse esoterie) van het ego. We zijn bijna helemaal ons ego geworden, meer Egypte dan Israël, voor de goede verstaander. Het is een onvermijdelijke fase van de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal).
Maar helemaal vergeten en ontkennen van de ziel is ook onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek, de kern van ons levensbeginsel. Het kan er dan toe komen, dat – vaak ondershuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt – ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d’ (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp.
Die hulp komt in de vorm van Mozes, de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet en wil wat het beste is voor de ontvouwing van onze onderdrukte essentie. Als we open staan voor die stem – vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen – dan krijg je idee over de weg die te gaan is.
Maar de strijd is nog niet beslist. Het echte gevecht is net begonnen.
Het ego is hardnekkig. Het vindt zich onmisbaar. Het kan weliswaar niet zonder de vitaliteit en de essentie van de ziel, maar het wil wel absoluut de baas blijven. Er zijn misschien wel meerdere crises ( psychische dieptepunten, tegenslagen, soms zelfs verliezen, ziekten, kortom: de plagen, in het hebreeuws de ‘makot’) nodig om het ego (‘Farao’) te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen en dat ego te brengen tot vrijlating van ons diepste verlangen, op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.
Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen.De zekerheid van het systeem hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken.

Lees het oude bijbelverhaal eens opnieuw vanuit deze optiek en je vindt nog veel meer aanrakingspunten.

By rcassuto on 26 maart 2010 | Algemeen, Door Rob Cassuto

Lack and vessel

to the degree that we appreciate and are conscious of the lack in us
we create a vessel for receiving the light of the creator, zei Michael Berg één van Kabbala broeders uit de Berg familie, die de wereld bestookt met hun gepopulariseerde en gesimplificeerde kabbala uitleg.
Niet zelden sturen ze toch een zinnige gedachte rond in hun mail-brieven, zoals deze. Besef hoe groot je tekort schiet en ga niet down maar apprecieer het. Hoe groter het tekort, hoe groter het vessel (vat = ongeveer bewust verlangen, verlangend inzicht), dat het ontvangen licht kan bevatten.

By rcassuto on 20 maart 2010 | Door Rob Cassuto

parsjat Wajikra

Het derde boek van de Tora – na Bereshiet en Shemot – heet Wajikra ofwel Leviticus, en de eerste parasha heeft dezelfde naam: Wajikra en bestaat uit de hoofdstukken 1-6. Een heel groot deel van het boek bestaat uit voorschriften over wanneer en hoe welke offers gebracht moeten worden.
De parasha Wajikra begint meteen al met een uitgebreide beschrijving van de brandoffers, vredeoffer, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers.
Er zijn vele technische verschillen tussen de verschillende offers, afgezien van het object (stier, bok, duif, graanmeel etc.). Daar ga ik verder niet op in; alleen valt vooral in het oog, dat de dierlijke brandoffers in zijn geheel op het altaar worden verbrand en van de vredeoffers en zondoffers alleen het vet (waarbij de rest buiten de legerplaats wordt verbrand).

Het belangrijkste motief achter de brandoffers, en zond- en schuldoffers lijkt verzoening, terwijl bij de vredeoffers en meeloffers meer het accent lijkt te liggen op dank als belangrijkste motief.

Intussen is na de verwoesting van de tempel de offerdienst vervallen. Allengs heeft het gebed als middel tot verzoening de dierenoffers vervangen. Maar is gebed voldoende?

Maimonides ontkende de intrinsieke waarde van de offerdienst en zag de instelling en de voorschriften van de offerdienst als een in alle wijsheid aan het volk destijds gegeven aanpassing, om het af te wenden van de afgodendienst maar toch te voorzien van de nodige rituelen.
Nachmanides kwam hier tegenin en zag wel degelijk een intrinsieke reden in de dierenoffers: eigenlijk verspeelt de mens met zijn zonden van geest en lichaam zijn leven en het dier dient met zijn bloed en organen als substituut om genade en vergiffenis van de Eeuwige te verkrijgen.

Volgens mij raakt Nachmanides hier de dieptepsychologische kern van het offer, wellicht mogen we verder gaan en zeggen: de kern van de zielennoodzaak van het offer.
Het kenmerk van het offer is dat het iets dat de mens dierbaar is – en in de agriculturele samenleving is dat een mooi exemplaar van de kudde – , dat hij afstaat en dat tegelijk kan dienen als substituut voor zichzelf, om zijn leven en welzijn veilig te stellen. Het uitgangspunt is dat als hij niet zijn offer aanbiedt noodlot, dood en tegenslag op zijn pad zal komen. Het offer herstelt de kosmische disbalans, die de mens door zijn gedrag heeft geschapen. Wanneer de disbalans niet wordt hersteld, roept hij de gevolgen daarvan over zich af, of men de zender van de gevolgen nu als een intrinsieke kracht of essentie van de kosmos (schepping) ziet of als zelfstandig wezen (Schepper).

Dat het heel nauw luistert, hoe en op welke wijze men de geschapen disbalans herstelt wordt geïllustreerd door de precieze voorschriften, die de Tora geeft voor het brengen van de offers (en ook de Misjna, zie b.v. het tractaat Joma over de offers op Jom Kipoer).
Alleen – en dat kunnen we weer met Maimonides eens zijn – de Tempeldienst en de dierenoffers waren toegesneden op het volk en de omstandigheden van toen, het Midden-Oosten van het tweede milennium voor de gangbare jaartelling. Vaak protesteerden de profeten tegen een geperverteerde offerdienst, die zijn oorpronkelijke doelen had overleefd en verzand was in schijnheiligheid, zoals Hosjea (6:6): “Ki chesed chafatsti we-lo zewach we-da’at elohiem me-olot”, “Want liefde wil ik, geen offers; en kennis van de Eeuwige eerder dan offers”.

Maar het offer als kosmische correctie, als daad die de goedgunstige loop van mens en wereld moet veiligstellen, is dat nog nodig? Zo gesteld is het antwoord ja. De intentie die achter het dierenoffer ligt is niet verouderd.
Wat is het kostbare bezit, dat we moeten leggen op het altaar om ons ontspoorde leven op de rails te krijgen? Welke hechting aan dierbare gewoonten of overtuigingen moeten we loslaten om misstanden in onze familie, onze vereniging, ons kerkgenootschap, onze samenleving te hervormen?
Welke offers moeten we brengen om de uit de hand lopende balans van natuur en klimaat te herstellen?
Welke heilige koeien moeten we offeren?
Het lijkt erop, dat steeds meer wetenschappelijk onderzoek wijst op verstoringen in maatschappelijke verhoudingen en natuur, maar tegelijk dat daarbovenuit of daaronder een bewustzijn van een diepere disbalans veld wint, een besef van de nadering van een kritisch omslagpunt, waarbij we tegenwichten in de schaal moeten werpen.

En misschien zijn de offerdaden die we moeten stellen wel hetzelfde als de rituelen die nodig zijn en misschien mogen we het wel zo formuleren dat we steeds weer concrete rituelen nodig hebben, die ons opwekken om ons gedrag in overeenstemming te brengen met wat de schepping (i.c. zijn Schepper) van ons eist aan actie of welbewust nalaten. Willen wij en onze kinderen het leven en welzijn behouden.

(in dit commentaar is gebruik gemaakt van de ‘Gilyonot’ van Nechama Leibowitz)

By rcassuto on 17 maart 2010 | parasja van de week