Wajikra
Wajikra/Leviticus 1:1 – 5:26
Hoe de Tora niet werd vergeten
Op deze sjabbat – de zg sjabbat rosj chodesj, 2 weken voor Pesach – begint het lezen van het derde boek van de Tora, het boek Wajikra (‘Hij riep’) ofwel met de latijnse naam: Leviticus. Wajikra is een logisch gevolg op Sjemot/Exodus. Het boek geeft, nu er zoals in Sjemot beschreven een mooie tabernakel is gemaakt antwoord op de vraag: hoe moet een eredienst eruitzien, hoe houden we die zuiver en en last but not least hoe houden we de omgang met elkaar zuiver en goed. Het is een boek met vele rituele en reinheidsvoorschriften, die ook zonder tempel deels nog in de orthodoxie enige gelding hebben. Maar het bevat ook met morele voorschriften, die een universele doorwerking hebben gehad en ook na de Verlichting nog hebben in een al dan niet religieus getint humanisme. Hoe dit boek en de hele Tora tot ons is gekomen en niet in vergetelheid is geraakt is mede te danken aan Ezra, die figureert in de haftara (lezing ui de Profeten,
Neviïem) voor deze sjabbat. Laten we daar eens verder naar kijken
Ezra
Die haftara is uit het boek Ezra, Ezra 7:1-28, het gedeelte waarin de terugkeer van Ezra vanuit de ballingschap in Perzië naar Jeruzalem wordt beschreven, Ezra ha-sofeer, “de schrijver, bedreven in de wet van de God van de hemel. Hij werd gedreven door de missie ‘om de wet van de Eeuwige te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen”. Ezra doet ons beseffen, dat de Tora zoals wij die kennen, in zijn tijd uit de vergetelheid moest worden gereconstrueerd. Laten we eens een historische terugblik werpen op de eeuwen, die aan Ezra’s komst en werkzaamheid in Jeruzalem rond 450 BCA voorafgingen.
Een terugblik op woelige eeuwen
De koninkrijken Israël en Juda, ontstaan na de dood van Salomo, lagen op het kruispunt van de grote rijken Egypte, Assyrië en Babylonië. Dat gebied was het toneel van de ene oorlog na de andere, verwoesting, plundering en dood waren aan de orde van de dag. In 722 BCE viel Samaria (Sjomron) na jaren belegering in handen van het Assyrische leger. De tien stammen van het koninkrijk Israël werden gedeporteerd naar verre oorden in Assyrië. Andere volken werden in het gebied geïmporteerd. Omstreeks 700 BCA tijdens het bewind van koning Hizkia onderwerpt de Assyrische koning Sanherib vrijwel heel het koninkrijk Juda. Hij verwoest de grote stad Lachis in Juda. We mogen niet onderschatten, hoe zwaar de ontberingen waren. De Assyrische koning Sanherib vermeldt trots in een inscriptie: ‘Ik verdreef 200150 mensen, jong en oud, mannen en vrouwen, paarden, muildieren, ezels, dromedarissen, runderen en ontelbare hoeveelheden kleinvee en beschouwde het als mijn buit’ 2 . De koning belegert Jeruzalem, dat wordt gespaard dankzij een epidemie die in zijn leger uitbrak. Tot 650 is het Assyrische rijk op zijn hoogtepunt en verovert zelfs Egypte. Egypte op zijn beurt maakt zich weer onafhankelijk en het koninkrijk Juda wordt nu tot Egyptische vazalstaat. De vrome Judese koning Josia sneuvelt in een grote veldslag tegen het opgekomen Babylonische rijk, dat eerst Juda schatplichtig maakt en na een opstand Jeruzalem verwoest (586 BCA), het land inlijft en een groot deel van de bevolking wegvoert in ballingschap naar ‘the rivers of Babylon’.
Pesach weer herinnerd
In die woelige eeuwen welden herinneringen op aan hoe vroeger in mythische tijden ook onderdrukking en ontbering de voorvaderen en -moederen hadden gekweld, maar ook aan hoe uitredding en bevrijding uit de toenmalige ellende onder leiding van Mozes en zijn God hadden plaatsgevonden. Die oude wonderlijke gebeurtenissen hadden sporen achtergelaten in het volksgeheugen. Geleidelijk werden – misschien vanaf de regering van koning Hizkia – herinneringen gevoegd tot het definitieve verslag van de wonderlijke uittocht, het verhaal van Pesach en het Sinaii-gebeurenï. een oerverhaal, dat betekenis kon geven aan ingrijpende actuele gebeurtenissen. Een narratief dat moed geeft en hoop. Het krachtige medium waarin de herinnering werd gekristalliseerd en waarmee het bevrijdingsverhaal van generatie op generatie overgebracht moest worden was bij uitstek het Pesachfeest. In de tijd tot koning Josia , die grondige hervormingen doorvoerde, was Pesach in onbruik geraakt. Koning Josia heeft het weer ingesteld. 2 Koningen 23: ‘Want zoals dit Pesach was er geen gehouden, vanaf de dagen van de richters, die aan Israël leidinggegeven hadden, en ook niet in al de dagen van de koningen van Israël of van de koningen van Juda’. In samenhang met die restauratie van Pesach is er tijdens de regering van Josia nog een opmerkelijke gebeurtenis gepasseerd. Bij de reparaties aan de tempel werd in 621 BCE ‘het wetboek’ gevonden (2 koningen 22). Men neemt aan, dat het gaat om het boek Devariem/Deuteronomium, of althans de kern ervan.
Reconstructie van de Tora
De Babylonische ballingschap moet de periode zijn geweest, dat in de context van diepe wereldlijke tegenslag vele Joden zich eerst recht ernstig bezig gingen houden met hun geestelijk en religieus erfgoed. Ezra, een belangrijk man aan het Perzische hof, was een voorman van deze beweging. Met zijn onvermoeibare inspanning het volk weer aan zijn heilige geschriften te herinneren verwierf hij zich de reputatie van een tweede Mozes. Misschien heeft zijn collega, de Joodse gouverneur van Jeruzalem en omliggende gebieden Nechemja (of zijn redacteur), in zijn gelijknamig bijbelboek de figuur van Mozes wel voor ogen gehad toen hij Ezra’s finest hour – de openbare voorlezing van zijn gereconstrueerde Tora – beschreef (Nechemja 8:5): Ezra, de schriftgeleerde, stond op een houten verhoging, die ze voor deze gelegenheid hadden gemaakt, (…) 6 Ezra opende het boek voor de ogen van heel het volk, want hij stond hoger dan heel het volk. Toen hij het opende, ging heel het volk staan’. We zien bijna de Israëlieten weer staan aan de voet van de heilige berg Sinai. Een dag daarna werd het Loofhuttenfeest (Soekot) in ere hersteld. Ook dat feest was vergeten. (Nechemja 9:8): ‘De hele gemeente van hen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in die loofhutten, want zo hadden de Israëlieten niet meer gedaan vanaf de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag’..
Rabbi Chiya houdt de Tora levend
Rond het jaar 200 herinnert de Talmoedleraar Resj Lakisj (in een discussie over de reinheid van matten, waarin hij de mening van Rabbi Chiya citeert) aan de verdiensten van Rabbi Chiya: ‘(…) toen sommige wetten van de Tora door het Joodse volk in Erets Jisrael vergeten waren, kwam Ezra uit Babylonië en herstelde de vergeten delen van de Tora, zoals (later) Hillel de Babylonier kwam en de vergeten delen herstelde. Toen delen van de Tora weer vergeten waren kwamen Rabbi Chiya en zijn zonen en herstelden de vergeten delen’ 3 .
Rabbi Chiya kwam uit Babylonië en vestigde zich tegen het jaar 200 in Erets Jisrael, waar hij een groot aandeel had in het levend houden van de Tora. De verwoesting van de tempel in 70 AD en de verwoesting van Jeruzalem in 135 AD had diepe sporen nagelaten. Men vertelt, dat Chiya het land rondreisde en in ieder dorp of stad, waar geen onderwijzers waren, aan vijf kinderen een van de vijf boeken van de Tora gaf en hen Tora leerde. Vervolgens leerde ieder kind weer Tora aan de andere kinderen 4 . Een effectieve methode lijkt me, waar we nog een voorbeeld aan kunnen nemen.
Zo werd de Tora steeds weer vergeten en na traumatische perioden weer opnieuw herinnerd
Noten
1. In vele andere commentaren heb ik over deze parasja en het boek Wajikra geschreven. Zie mijn boek Reizen door de Tora en op mijn website
2. De tekst wordt vermeld op de website van historicus Jona Lendering
3. Talmoed Soeka 20a
4. Talmoed Ketoebot 103b, waar de anekdote aldus wordt vermeld (vrij vertaald uit het Engels): R, Chanina zei tegen R. Chiya: waag jij het met mij te discussieren? Als God verhoede de Tora vergeten wordt, dan zou ik hem herstellen in gesprekken. R. Chiya antwoordde, (ook) ik zorg ervoor dat de Tora niet wordt vergeten in Israel. Ik zaai vlas en weef netten. Daarmee jaag ik op herten en met hun vlees voed ik de wezen en met hun huiden maak ik rollen; dan ga ik naar een stad waar geen onderwijzers zijn voor jonge kinderen en beschrijf de rollen met de vijf boeken van de Tora voor vijf kinderen en zes andere kinderen leer ik de zes ordes van de Misjna en dan instrueer ik ieder kind: ‘leer jouw afdeling aan je collega’s’. Dat deed Rabbi (Jehoeda ha Nassi, zijn leermeester RC) uitroepen: ‘groot zijn de daden van Chiya’.
herzien maart 2023
Wajakhel-Pekoedee
Sjemot/Exodus 35:1- 40:38
De misjkan als blauwdruk
De parasjot Wajakhel en Pekoedee 1 – in de meeste kalenderjaren tezamen gelezen – beschrijven hoe en met welke materialen de misjkan (tabernakel) wordt gebouwd en met welke materialen en op welke wijze de attributen daarin worden gemaakt, zoals de altaren, de ark, de menora, de tafel met de toonbroden, het wasbekken etc. In de parasjot Teroema en Ki tisa zijn al de uitgebreide instructies beschreven die Mosjee op de Sinaj had ontvangen, nu wordt in grotendeels gelijke bewoordingen in detail beschreven, dat ze ook zo worden uitgevoerd onder leiding van de prototypische kunstenaar en ambachtsman Betsalel.
Een artistieke krachttoer
Dat de uitgebreide beschrijvingen in Teroema en Ki tisa in de onderhavige parasjot weer in detail worden herhaald (alles bij elkaar wel een derde van Sjemot) berust volgens Umberto Cassuto op de narratieve gewoonte uit die periode in het Midden-Oosten om wanneer een voorbereiding uitgebreid is beschreven niet te volstaan met een ‘en zo gebeurde het’ 2 .Er gaat een literaire en bijna sacrale kracht uit van deze repetitieve opzet: wat door de Ene zo is gewild is ook precies zo uitgevoerd. De triomf van wat met deze geweldige inzet is bereikt wordt nog eens in een sterke en mooie stijl onderstreept. Wat begonnen is als een zwerftocht van een berooide massa van net vrijgelaten slaven vindt zijn bekroning in deze artistieke en ambachtelijke krachttoer.
De misjkan als blauwdruk
De misjkan bestond uit een grote omheinde ruimte, de voorhof, met achterin de tent der samenkomst (ohel moëed ), die weer bestond uit twee ruimten, de achterste ruimte was het heilige der heilige waar de ark stond en de voorruimte bevatte de menora, de tafel met de toonbroden en het gouden reukaltaar. In de voorhof stond het koperen hoofdaltaar.
In de sfeer van de kabbala wordt de misjkan ook opgevat als een soort spirituele blauwdruk van de kosmos en de mens .
In mijn versie is de indeling van de misjkan te zien als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven.
De voltooiing van de schepping en van de misjkan
In de midrasj wordt de creatie van de misjkan wel gesteld naast de schepping van de wereld, zoals beschreven in Beresjiet/Genesis 1-2:3.3
(De gelijkenissen klinken soms geforceerd, – zo wordt de inzameling van het water in de zee in Beresjiet/Genesis 1:3 vergeleken met de vervaardiging van het wasbekken. Maar zeker frappant is de parallel van Sjemot/Exodus 39:43 met Beresjiet/Genesis 2:2-3. Sjemot 39:43 (vertaling Dasberg): ‘Mosjee overzag het gehele werk; ja, zij hadden het tot stand gebracht! Zoals de Eeuwige het Mosjee bevolen had, zo hadden ze het gedaan. Toen zegende Mosjee hen’. In gelijksoortige woorden wordt de voltooiing van de schrapping van het universum beschreven: Beresjiet/Genesis 2:2-3 (NBV) ‘Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die ?heilig, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk’.
De zegen, die Mosjee uitsprak wordt uitgebreider beschreven in Bemidbar/Numeri 7:1: ‘Op de dag waarop M ozes de laatste hand legde aan het opbouwen van de tabernakel, zalfde hij die, met alle toebehoren, en ook het altaar en het altaargerei; zo heiligde hij alles’.
Rasji ad locum verschaft ons de woorden, die de oude leider daarbij heeft gesproken; dat waren volgens deze bijbelcommentator de mooie woorden van psalm 90, pasoek 17 (HSV): ‘De lieflijkheid van de Eeuwige, onze God, zij over ons; bevestig het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat.
Noten
1. Meer over Wajakhel en Pekoedee zie mijn boek Reizen door de Tora deel 1
2. Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p. 478
3. Bv Daat Zekenim op Exodus 38:25:1
Teroema
Sjemot/Exodus 25 – 27:20
Heiligdommen
In deze parasja 1 krijgt Mosjee opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasja beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke, ha-aron ha-kodesh , de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de mieshkan , eruit moeten gaan zien. Dit alles volgens de modellen zoals aan Mosjee op de berg getoond.
Heeft De Ene een tabernakel of tempel nodig?
Het antwoord op de veelgestelde vraag of de God van Israël ,een heiligdom nodig heeft is: niet God heeft een heiligdom nodig maar de mensen, de bené Jisrael, hebben het nodig om middels een tabernakel, tempel en rituelen voortdurend herinnerd te worden aan Gods aanwezigheid. In vele toonaarden lichten oude en nieuwe wijzen dit toe.
Maimonides 2 omschrijft de tabernakel, de offers en de heilige attributen als concessie aan het volk, dat geestelijk (nog) onmachtig is de abstracte sprong te maken naar een zuiver besef van een enige God en het geloof in de daaruit voortvloeiende voorschriften. Een omweg is nodig zoals de Ene ook letterlijk een omweg naar het beloofde land gebood te maken ten einde de nog ongeoefende massa mensen te sparen voor ontmoeting met te grote ontberingen en te machtige vijanden (Exodus/Shemot 8:17) Maimonides’ wat mystiekere evenknie Nachmanides was het overigens niet met hem eens. Diens rationele redenering noemt hij een degradatie van de Tora 3 , Nechama Leibowitz in haar ‘Studies in Shemot’).
Umberto Cassuto 4 signaleert in zijn commentaar op Exodus, dat de passages van deze parasja niet voor niets vlak na de passages over de sluiting van het verbond op Sinaj komen. Door een zichtbaar en schoon vormgegeven heiligdom, dat midden in het kampement komt te staan, wordt het volk steeds herinnerd aan deze openbaring en aan Zijn voortdurende nabijheid. En de gedetailleerde beschrijving van de Heilige Woning benadrukt deze strekking nog eens in schrift. Dat is ook het hoofddoel van deze beschrijvingen, aldus Cassuto.
Martin Buber 5 ziet het vanuit de intentie van Mosjee: als geïnspireerd leider van zijn volk heeft hij hier een oplossing gevonden voor het verlangen van het volk naar een zichtbare aanwezigheid van een God, die in principe niet zichtbaar is en hij heeft daarvoor oude al bestaande elementen uit andere religies samengevoegd tot een nieuw symbool: de ark.
Rabbijn Jonathan Sacks 6 ziet de plaatsing van al deze voorschriften om een zichtbaar heiligdom te maken vóór de afdwaling rond het gouden stierkalf als een heel overwogen beschrijving van het medicijn voordat de ziekte van afgodendienst toeslaat.
Heiligdommen
De neiging om materiële offers te brengen om daarmee heiligdommen te bouwen is misschien wel ingeboren in de mens. Al die bouwsels behoren tot het erfgoed van de mensheid, kerken, moskeeën, tempels in de sfeer van het hindoeïsme en boeddhisme, getuigen van devotie en besef van de heilige aspecten van het leven, ook de synagogen, al zijn die in principe ontstaan als niet-religieuze huizen van samenkomst om samen te bidden en te leren ( vandaar het woord ‘sjoel’ , school; ‘synagoge’ betekent eigenlijk ook ‘samenkomst’ in het Grieks, evenals het Hebreeuwse wwoord voor sjoel: beet knesset ). In het Jodendom werd de verering beperkt tot één God, tot oorspronkelijk één tempel (die strikt genomen volgens sommige leraren dus in laatste grond overbodig zou zijn) op één plaats, Jeruzalem.
Deze drang om herinnerd te worden aan wat groter en ontzagwekkender is dan wij kleine mensen en daarvoor een teken te stellen in de vorm van bv een gebouw kan seculiere vervorming krijgen, als die herinnering niet meer werkt en het goddelijke aspect is verbleekt of verdwenen uit grote delen va de samenleving. Dan proberen wij toch plaatsen van verering te scheppen, zoals musea, monumenten voor herdenking, iconische landschappen. En hoger dan synagogekoepels, kerktorens en minaretten rijzen de gouden kalveren, waarmee de mens zichzelf verheerlijkt , zijn macht en zijn geld, de hoofdkantoren van olieconcerns, communicatiegiganten, verzekeringskolossen en voedselwarenproducenten en niet in de laatste plaats de bankgebouwen, waar ieder besef van heiligheid en moraal is vertrokken en het naakte geld zijn perverse spel speelt.
Noten
1. Meer over Teroema zie mijn boek Reizen door de Tora deel 1 ,
2. Gids der Verdoolden/Moré Nevoechiem XXXIII: 32
3. Aldus het commentaar op deze parasja van Nechama Leibowitz in haar ‘Studies in Shemot’
4 Umberto Cassuto (1883–1951), A Commentary on the Book of Exodus , Jerusalem, 1997 (eerst verschenen in Hebreeuws in 1951), p. 319 ev
5 Martin Buber, Mozes , Servire, 1970; oorspr.: Moses, 1965; meer dan een biografie ook een beknopt commentaar op de Tora (
6. http://www.rabbisacks.org/gratitude-labour-terumah-5775/
7. Niet verrassend is, dat de haftara 1 Konngen/Melachiem 8 is, waar Shlomo ha-melech (koning Salomo) de tempel in Jeruzalem inwijdt.
Misjpatiem
Sjemot / Exodus 21:1–24:18
Gaslighting
De parasja Misjpatiem 1 wordt wel ‘het boek van het verbond’ genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels (hoofdstukken 21-23), die deels de Tien Woorden verder uitwerken. Dat mondt uit in hoofdstuk 24, waarin de sluiting van het Verbond wordt bezegeld in een uitgebreid ritueel. Mosjee schrijft al het gesprokene op in een boek (sefer ha-briet) dat hij dan aan het volk voorleest.
Valse geruchten
Een fors aandeel van dat boek bestaat uit morele regels van allerlei aard. Vele daarvan hebben betrekking op, het tegengaan van het verdraaien van de ware toedracht van gebeurtenissen, zoals dat vaak het geval kan zijn onder invloed van eigen- of partijbelang dan wel vanuit kwade opzet. Hier spreekt het besef hoe juiste en waarheidsgetrouwe communicatie en informatie van essentieel belang is voor het goede functioneren van een samenleving.
We kiezen er eentje van die regels uit: ‘U mag geen vals gerucht verspreiden, en u mag een schuldige niet uw hand reiken door een misdadige getuige te zijn’ (Sjemot/Exodus 23: 1). Volgens de gerenommeerde commentator Rasji (11 e eeuw) moet je dit voorschrift lezen als: ‘je moet geen vals bericht aannemen (resp. ernaar luisteren)’ 2 . Het voorschrift was vooral gericht tot de rechter; die moest pas de ene partij horen als de andere partij daarbij aanwezig was, om zo te voorkomen, dat een valse getuigenis werd gepleegd. In de midrasj (bv Mechilta) wordt het voorschrift van algemene toepassing geacht; iedereen heeft ervoor te waken een vals gerucht aan te nemen en verder te verspreiden om zo de ander geen nodeloze schade toe te brengen. Het sluit goed aan bij andere voorschriften zoals bv die in Sjemot/Exodus 20 en Wajikra/Leviticus 19 3 . De regels van het ethisch spreken (en schrijven) en luisteren (en lezen) zijn door de rabbijnen verwerkt tot het verfijnd leerstuk van Sjemierat ha-lasjon (het hoeden van de tong/taal) met als hoofdwerk het boek ‘Chafets Chaim’, geschreven door Rabbi Yisrael Meir Kagan, 1839-1933, die zijn bijnaam Chafets Chaim dus aan zijn boek heeft te danken.
De link met de tegenwoordig alom heersende intentionele desinformatie ligt voor de hand. Een vloed van fake news, leugens en propaganda overspoelt ons en is erop gericht als gif ons oordeelsvermogen te ondermijnen. Het vereist van de burger een steeds grotere vaardigheid om betrouwbare informatie van halve waarheden, leugens en nepnieuws te onderscheiden. Het bijbels verbod om vals geruchten is in deze moderne tijd geheel krachteloos geworden. Als je de weggetjes weet kan je zelfs bij specialisten massale desinformatie bestellen om de verkiezingen te beïnvloeden in de door jou gewenste richting. Een fundamentele bedreiging van de democratie.
Gaslighting
Een eigentijds voorbeeld van bewuste verdraaiing van de feiten is ‘gaslighting’, een term uit het Amerikaanse politieke wereldje. Meestal neem ik in deze stukjes wat afstand van het actuele politieke gebeuren, maar dit wil ik u niet onthouden
De definitie van gaslighting op Wikipedia luidt:
‘ Gaslighting is een vorm van psychologische manipulatie, die probeert zaden van twijfel te zaaien bij een beoogd persoon of bepaalde personen of bij leden van een beoogde groep, zodat ze onzeker worden over hun eigen herinnering, waarneming en geestelijke gezondheid. Middelen om het slachtoffer uit zijn of haar evenwicht te brengen zijn constante ontkenning, op een dwaalspoor brengen, tegenspraak en liegen 4 .
Het begrip is afkomstig van de klassieke film noir ‘Gaslight’, waarin de doortrapte echtgenoot Gregory zijn vrouw Paula met onterechte beschuldigingen en systematische verdraaiing van feiten tot waanzin tracht te drijven om haar af te leiden van zijn geheime misdadige activiteiten’ 5 .
Kan ook een heel volk het slachtoffer van gaslighting worden? Als we alle berichten naast elkaar leggen over hoe het Russische volk wordt gemanipuleerd met informatie over de Oekraine en hun ‘vileine nazi-ideologie’ ; als we lezen over hoe het Russiche publiek vals wordt voorgelicht over en wordt weggehouden van de feiten van de met Oekraine begonnen oorlog, dan komt dat aardig dicht in de buurt.
In de film ‘Gaslight’ lukt het net niet om Paula definitief haar verstand te laten verliezen. Laten we hopen dat het Poetin en consorten ook niet lukt om het Russische volk durend om de tuin te leiden. Laten ook wij ons niet gek maken door de toevloed van steeds geraffineerder desinformatie. Want ons is al drieduizend jaar geleden geboden: ‘je moet geen vals bericht aannemen (resp. ernaar luisteren)’.
noten
1. Meer over Misjpatiem in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 , p.143 ev en op mijn website, www.robcassuto.com
2. Aldus ia de bepaling vertaald in de Aramese vertaling van Onkelos
3. Sjemot/Exodus 20: 7 U zult de Naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken (letterlijk: niet voor niets (op je lippen) dragen)
U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. (letterlijk: niet met betrekking tot je naaste antwoorden als liegende getuige). En in Wajikra/Leviticus 19: 12 U mag geen valse eed afleggen in Mijn Naam, en zo de Naam van uw God ? ontheiligen. Ik ben de Eeuwige. U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de Eeuwige.
4. Heel instructief artikel op https://en.wikipedia.org/wiki/Gaslighting
5. Gaslight is een Amerikaanse film uit 1944 onder regie van George Cukor met in de hoofdrollen Charles Boyer, Ingrid Bergman (Oscar) en Joseph Cotton
Herz 2023
Jitro Sjemot/Exodus. 18:1 – 20:23
De wijsheid van niet-Joden
De parasja Jitro begint met het bezoek van de schoonvader van Mosjee en beschrijft daarna de eerste fasen van de wonderlijke gebeurtenissen op en rond de berg Sinaj, met als climax de uitroep van de Tien Woorden (Tien Geboden) 1 .
De Tora neemt de tijd om het bezoek van Jitro uitgebreid te beschrijven, de aankomst, het vertellen over de uittocht met zijn wonderlijke uitreddingen, de gezamenlijke plechtige maaltijd in de tent van Mosjee en het offer, dat Jitro brengt aan Elohiem – een in dit geval diplomatieke term, want de andere naam JHVH was nog vreemd voor deze niet-Israëlitische bezoeker. Wat opvalt is het respect, waarmee Jitro wordt ontvangen en de zorgzaamheid, waarmee hij zijn schoonzoon tegemoet treedt.
Het advies van Jitro
Dat wordt met name geïllustreerd, als de schoonvader de lange rijen ziet van de Israëlieten die wachten op hun beurt om voor Mosjee te verschijnen. Ze willen zijn advies of oordeel over hun problemen of zorgen of willen hem vragen voorspraak te doen bij de Eeuwige. Van de ochtend tot de avond wachten ze daar in de brandende zon. Tegelijk ziet hij hoe zjjn schoonzoon vermoeid raakt en bijna bezwijkt onder de grote last, die op zijn schouders rust. De ervaren priester komt met een oplossing. Hij adviseert Mosjee structuur en organisatie aan te brengen om zo zijn taken te verlichten; alleen de grote zaken moet hij behandelen, de kleinere moet hij overlaten, 18:21-23: ‘Je moet leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien over hen aanstellen. Zij moeten altijd over dit volk oordelen. Maar laat het zo zijn dat zij elke grote zaak bij jou brengen, en zelf over elke kleine zaak oordelen. Maak het zo voor jezelf lichter en laat hen die last samen met je dragen’.
Als managementconsultant avant la lettre wist de schoonvader, dat wie een lastige taak moet volbrengen onder grote verantwoordelijkheid, maar alles alleen wil doen, een grote kans loopt anderen onrecht te doen en zelf te bezwijken onder de stress. Jitro’s advies klinkt nog door alle eeuwen heen tot de overbelaste managers van nu: taken organiseren, structureren, verdelen, uitvoering delegeren.
De wijsheid van niet-Joden
Hoe kan het zijn, dat de spirituele gigant Mosjee deze toch niet zo moeilijk te bedenken oplossing moest vernemen van een vreemdeling,? Had hij het niet zelf kunnen bedenken. Rabbijn Nathan Lopes Cardoso 2 neemt ons in zijn moderne commentaar mee naar het commentaar van de 19e -eeuwse R. Samson Raphael Hirsch. Deze laatste oppert, dat Mosjee kennelijk niet de gave van wetgeving en organisatie van nature bezat. Het toont aan, dat de wetten en instellingen van de Tora niet uit zijn eigen hoofd konden komen, maar dat hij alleen maar het best denkbare instrument was.
Toch laat dat overeind, dat het niet de Eeuwige was die de reorganisatie van de rechtspraak aan Mosjee doorgaf of ingaf, maar – al dan niet door Zijn bemiddeling – zijn schoonvader. Daar moeten we een lering uit trekken. Lopes Cardoso wijst op een ander commentaar, dat van Chaim ibn Attar (bijgenaamd Or ha-chaim): G’d wilde aan het Joodse volk laten zien, ‘dat in al in die tijd en gedurende alle toekomstige generaties er grote en wijze mannen gevonden kunnen worden onder de naties van de wereld. Jitro was een voorbeeld van een verlichte niet-Jood, die dit zonder twijfel heeft aangetoond. Het leert ons, dat G’d het Joodse volk niet vanwege zijn superieure intelligentie heeft gekozen. God heeft het Joodse volk gekozen als (…) een daad van liefde voor zijn volk’ 3 .
Het verhaal van Jitro roept op tot nederigheid. Hey Joodse volk bezit vele talenten – ja u roept natuurlijk meteen, een onevenredig deel van de Nobelprijzen is gewonnen door Joden -, maar ook bij de niet-joden is grote wijsheid en deskundigheid te vinden en zeker ook op terreinen waar de Joden niet zo begaafd zijn, wijsheid waar Joden van geleerd hebben en nog steeds kunnen leren. Tegelijk is de openbaring van de Tora aan de Joden ook bedoeld voor de niet Joden om van te leren. Om dat te benadrukken is de parasja geplaatst voor de latere wetgeving op de Sinaï.
Heeft Jitro zich nu bekeerd tot het Jodendom?

De hedendaagse Israelische Rabbi Shlomo Rishkin 4 denkt van niet, in tegenstelling tot veel oude midrasjiem. Als Mosjee in Bamidbar/Numeri 10 Jitro (daar genoemd bij zijn andere naam Chovav) smeekt met hem mee te trekken, zegt Jitro: nee ik ga niet mee, ik ga naar mijn land en naar mijn geboortegrond’. Hij zegt niet: ‘het land van mijn vaderen’ 5 wat volgens Rishkin betekent, dat hij zich weliswaar niet tot het Jodendom bekeert, maar ook dat hij niet zal terugkeren naar de afgodendienst van zijn voorvaderen. Laten we aannemen, dat hij een aanhanger zal zijn geworden van de Noachitische wetten en hem als voorloper zien van een vreedzaam religieus pluralisme.
Noten
1. Over de Tien Woorden zie mijn boek Reizen door de Tora deel 1 , p. 137ev
2. Rabbijn Nathan Lopes Cardoso op The Times of Israel http://blogs.timesofisrael.com/parashat-yitro-racism-and-the-wisdom-of-a-gentile/
3. Het Toracommentaar van deze beroemde rabbijn uit Marokko (1696-1743 overleden in Jeruzalem) is met Engelse vertaling te lezen op de onvolprezen website sefaria.org
4. Rabbi Shlomo Rishkin op de Jerusalem Post
https://www.jpost.com/Jewish-World/Judaism/PARASHAT-YITRO-Jews-gentiles-and-justice
5. In Beresjiet 12:1 verlaat Avraham ‘zijn land, zijn geboortegrond én zijn vaders huis, dwz de goden van zijn vader.
Herz 2023
Bo Sjemot/Exodus 10:1-13:16
De verharding van het hart
Tot het begin van de parasja Bo 1 hebben zeven plagen Egypte geteisterd en steeds is de Farao bij zijn voornemen gebleven het volk van Israel niet te laten gaan uit het Egypteland, waar zij als slaven werden onderdrukt. Bij de eerste zes plagen heeft de heerser steeds zijn hart (lev) verhard. In het Hebreeuws staat er letterlijk zoiets als ‘zijn hart sterk gemaakt’ (met de stam chazak , sterk) of ‘zijn hart zwaar gemaakt’ (met de stam chavod, zwaar). Maar na de zesde plaag, de zweren, staat er voor het eerst dat het de Eeuwige is, die het hart van Farao ‘sterk maakte’. Desondanks lijkt er een ommekeer plaats te vinden bij de Egyptische koning, hij bekent (HSV 9:27): ‘Ik heb deze keer gezondigd. De Eeuwige is de Rechtvaardige. Ik daarentegen en mijn volk zijn de schuldigen.’ Dat lijkt op de gewenste ommekeer, hoewel Mosjee sterke twijfels heeft over de waarachtigheid van dit statement (9:30). Inderdaad, als door tussenkomst van Mosjee de ramp van de zweren weer is opgehouden, gaat de Farao toch door met zijn meedogenloos beleid. Het volk mag toch niet gaan. Als de parasja Bo begint verklaart de Eeuwige aan Mosjee nu nogmaals, dat Hij het is die het hart van Farao heeft verhard (hichwadti , ‘Ik heb zwaar gemaakt’).
Is farao verantwoordelijk als de Eeuwige zijn hart verhardt?
Deze actie van de Ene heeft zowel bij de oude rabbijnen als bij de niet-Joodse lezers een belangrijke vraag opgeroepen: kan de Egyptische vorst verantwoordelijk worden gehouden, als niet hijzelf, zoals de eerste vijf keer, zijn hart heeft verhard, maar als deze verharding het werk is van een hogere macht?
Het is een hoeksteen van het Joods gedachtegoed, dat de mens in principe een vrije wil heeft, hij kan kiezen tussen het goede en het kwade, en hij kan verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daden, zoals met name Maimonides benadrukt in zijn Regels van Boete en Berouw 2 .Maar hier, op het moment van het begin van de zevende plaag, lijkt de Farao geen keus te hebben, de mogelijkheid van een positieve reactie op de nu aan de orde zijnde catastrofe van de sprinkhanen is hem van Hogerhand ontnomen. Maimonides ziet dit probleem en gaat er uitgebreid op in. In het kader van zijn model van straf en verzoening redenerend legt de de middeleeuwse geleerde uit, dat, de verkeerde daden zich zozeer kunnen opstapelen, dat zij de halsstarrigheid van de dader als het ware verabsoluteren en ommekeer en boetedoening – die volgens de twaalfde-eeuwse meester overigens voor allen royaal steeds openstaat – onmogelijk maken. Wanneer de farao zo hardnekkig zoveel gelegenheden om berouw te tonen en ommekeer (tesjoeva) te doen– vijf keer, vijf plagen lang –had hij de kans – voorbij laat gaan dan is de maat vol; de straf, die hij zo op zijn hals haalt, is de principiële afsluiting van de weg van ommekeer met als gevolg de onvermijdelijke ondergang.
De laatmiddeleeuwse geleerde Shelah 3 vat het bondig samen: ‘de Eeuwige waarschuwt iemand tot drie keer toe. Als iemand drie zulke waarschuwingen in de wind slaat en geen berouw toont, maakt God het hart van zo iemand ontoegankelijk voor gedachten van berouw om hem dan zijn verdiende loon uit te betalen’.
Wanneer ommekeer onmogelijk wordt
Als we het strakke paradigma van straf en beloning, dat Maimonides hanteert en vrij nauwkeurig uitwerkt, wat loslaten, ontdekken we daaronder toch wel een daarmee gerelateerde behoorlijk plausibele psychologische wet of taaie tendens: wie steeds de verkeerde keuzes maakt, maakt het zich steeds moeilijker om het stuur te wenden. Hoe langer op het verkeerde pad, hoe moeilijker om te keren. Hoe meer misdaden gepleegd, hoe onwaarschijnlijker, dat de misdader op zijn heilloze weg terugkeert. Is het nu zo, dat voor sommige ‘veelplegers’ van zware vergrijpen een punt bereikt wordt dat ommekeer, boetedoening en verzoening (psychologisch, theologisch) onmogelijk wordt? Dat is een vraag die ik graag aan de lezers overlaat om te overdenken, bijvoorbeeld aan de hand van concrete gevallen. Kan een mens voorgoed en definitief verloren zijn? Zonder alles te willen psychologiseren komt de term psychopaat of hardnekkige narcist in mij op.
‘Egyptische’ onderdrukkers in deze wereld
Ook op het gebied van maatschappij en samenleving is de vraag relevant. Kunnen in sommige samenlevingen gepleegd onrecht, leugen en bedrog en misdaden tegen de menselijkheid zich ophopen tot zulk een kritische massa, dat terugkeer op de rechte weg niet meer mogelijk is en dat alleen een catastrofe kan volgen, waarna pas na veel geweld, ontwrichting en slachtoffers de ruimte kan ontstaan voor een nieuw en beter samenleven. Omdat deze overdenking zich enigszins los van de waan van de dag wil houden en ook na langere tijd nog actueel laat ik het weer aan de lezer over om deze vraag aan concrete voorbeelden uit de vorige eeuw en ook in het heden te toetsen. Laten we alert blijven op hardnekkige ‘Egyptische’ onderdrukkers in deze wereld.
noten
1. Meer commentaren op parasjat Bo in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1.
2. Maimonides, Regels van Boete en Berouw, hfst VI.
3. Isaiah Horowitz (1555 –1630), Shney Luchot HaBrit, Vaera, Torah Ohr 77, op sefaria.org
Herz jan 2023
Jacob en Esau: de mogelijkheid tot verzoening
door Rob Cassuto
Beresjiet /Genesis 32:4 – 37
Jacob trekt Esau, die hij tweeëntwintig jaar geleden was ontvlucht, tegemoet 1 . Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jacob de ontmoeting naderen. Hij vreest de wraakzucht van zijn ooit zo bedrogen broer. Verschillende preventieve maatregelen tegen de te verwachten vergeldingsacties treft hij.
Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zendt rijke geschenken vooruit.
Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man, die na een heftige worsteling Jacob zegent en hem de naam Jisraël (Israël) geeft. Jacob herkent de man als (een engel van) God. De dag daarna loopt hij met zeven buigingen Esau tegemoet 2 . Deze sluit hem in de armen en kust hem ‘en zij huilden ‘. Als Esau aandringt om samen op te trekken wijst Jacob dit af en ze scheiden weer. Jacob slaat zijn tenten op bij Sjechem. We zoomen in op de nachtelijke worsteling van Jacob met de man/engel vóór de ontmoeting met Esau.
Strijd en verzoening
Het is de moeite waard het leven van Jacob te bekijken vanuit het perspectief van rijping en groei naar volwassenheid en zelfs grootheid.
Lang is Jacob’s coming out voorbereid. De begaafde dromer is steeds meer geïncarneerd in het leven van de aarde. Hij is geworden tot een aanzienlijk man, aan het hoofd van kudden en omringd met vrouwen en kinderen. En nu staat hij voor Esau, vijand en tegenpool, de verpersoonlijking van kracht, geweld, impulsiviteit. Hij voelt zich aan een afgrond staan van angst, angst voor vernietiging door het geweld van zijn broer. Maar die diepe doodsangst gaat gepaard met de angst om in een nieuwe grootheid te gaan staan, zijn werkelijke ruimte in te nemen, zijn essentie onder ogen te zien en voluit te omhelzen. Om die sprong te kunnen wagen, moet Jacob eerst schoon schip maken, d.w.z. zijn verleden onder ogen zien, en met name zijn bedrog ten aanzien van zijn vader en zijn broer. Hij zal de intense gevoelens van schuld en waardeloosheid moeten doorwerken. Dat is een gevecht op leven en dood. Als hij dat een nacht lang gedaan heeft en de man/engel heeft overwonnen – je kan ook zeggen grondig ommekeer, tesjoeva , heeft gedaan – is hij klaar om in zijn nieuwe grootheid te stappen, bevrijd van oude ballast. Dan is hij van een Jaäkov, een hielenvolger, een Godstrijder, Israël, geworden 3.
De nacht van Jacobs worsteling met de ‘man’ (‘iesj’ ) is een beproeving 3. De paradox is, dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem zelfs kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) inleidt. Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet doen, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de Goddelijke zegen schuil te gaan.
Ik denk dat ieder mens in zijn leven één of wel meerdere nachten heeft gekend van gevecht met de engel, met God, met het lot, misschien niet zo spectaculair en mythisch van proportie als die van Jacob, misschien wat minder heftig, hoewel wie zal dat meten? In Jacobs eenzame nacht aan de beek is ons in ieder geval het prototype gegeven van hoe grootse krachten op beslissende momenten ons kunnen beproeven en ons een nieuwe levensfase kunnen induwen met een aanvankelijk onbegrepen duistere kracht die geleidelijk zegen blijkt te zijn.
Esau – ook wel Edom genoemd – is in vele rabbijnse uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden 4 . Vele latere vijanden van Israël zijn betiteld als ‘Edom’. De tekst van de Tora zelf gaat in deze demonisering niet mee. Jacob en Esau zijn beschreven als heel uiteenlopende mensentypen. Jacob was meer een man van geest en verstand, een intellectueel, zouden we nu misschien zeggen. Esau was een man van het lichaam, bezield met hartstocht en kracht, een macho. Ieder had zijn slechte en goede kwaliteiten. De mannen hebben elkaar dwars gezeten, gehaat. Zoals in ieder mens geest en lichaam met elkaar overhoop liggen. Maar laten we niet vergeten: de zo tegengestelde helften van deze tweeling hebben zich verzoend en daarna elkaar getolereerd in de streken van het toenmalig Palestina. Samen begroeven de mannen hun vader en ze rouwden samen aan zijn graf (Beresjiet/Genesis 35:29). Zo zijn ze niet alleen symbool van rivaliteit en strijd geworden, maar ook symbool van de mogelijkheid tot verzoening en verdraagzaamheid. Laten we op dit laatste element het accent leggen wanneer we dit verhaal in het licht houden. Laten we de verzoenende strekking laten spreken en niet meegaan in de zo aanlokkelijke en gemakzuchtige neiging om in andersdenkenden, andersgeaarden en andersgelovigen een gedemoniseerde Edom te zien. Hielden Jacob en Esau na hun verzoening van elkaar of bleven ze elkaar haten? Ik weet het niet, maar ze respecteerden elkaar en gunden elkaar de nodige levensruimte. In deze tijden van interculturele en interreligieuze spanningen zou dat al heel wat zijn.
herzien december 2022

Noten
1. Meer commentaren op parasjat Wajisjlach in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel I
2. De geschenken en buigingen van Jacob bij de ontmoeting met Esau zijn te correleren aan de aan Esau ontstolen zegen, zoals te lezen in een van de commentaren van Jonathan Sacks op parasjat Toldot.
3. Een niet gering aantal identificeert de ‘man’ met Esau of met de beschermengel van Esau. Ook de middeleeuwse bijbelgeleerde Rasji volgt die oude wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esau. Bepaalde kabbalistische bronnen associëren deze met Samaël, de engelachtige manifestatie van Satan en tevens de verleider van Chava (Eva) in Gan Eden (overzicht in Wikipedia http://en.wikipedia.org/wiki/Samael ) . Mijn duiding gaat meer in de richting van de interpretaties van Gunther Plaut in zijn uitgave van de Tora met commentaar – Jacob vocht met oude schuldgevoelens over zijn bedrog – en Elie Wiesel – Jacob vocht met oude angsten en schuldgevoelens – zoals vermeld in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd’ (p. 91) van Harvey Fields.
4. Sommige oude midrasjiem gaan daar ver in. Zo is het opgevallen dat in de Hebreeuwse tekst in de Tora ‘hij kuste hem’ – wajishakehoe – voorzien is van extra puntjes op de letters; Rabbi Yanai zegt dan, dat dat is om te ons te vertellen, dat Esau niet van plan was om Jacob te kussen maar om hem te bijten, maar Jacobs keel werd van marmer en brak de tanden van de slechtaard (Midrash Rabba, op Chabad.org).